Cureren is koesteren, interview met Catherine de Zegher

Copyright Museum voor Schone Kunsten Gent

Catherine de Zegher is een prominent feministische museumdirecteur en -curator, die aandacht heeft voor de afwezigheid van vrouwen in de kunstwereld en systematisch naar hen op zoek gaat zowel in het verleden als het heden. Na twintig jaar in het buitenland te hebben gewerkt, kreeg zij de leiding over het Gentse Museum voor Schone Kunsten (MSK). Wij vroegen haar wat het precies betekent om vandaag een feministische museumdirecteur en -curator te zijn in een veld dat wordt gezien als een ‘mannenbastion’, waar zij het verschil maakt en hoe zij haar functie inkleurt.

 

Het museum is traditioneel een domein waarin vrouwen oververtegenwoordigd zijn als administratief en educatief personeel, maar waarin de topfuncties worden uitgeoefend door mannen. Hoe ervaart u dat? 

Er zijn meer en meer vrouwelijke directeurs, maar het blijft nog altijd een struggle om de vrouwen op het voorplan te halen. In het tijdschrift rekto verso verscheen onlangs een dossier waarin werd aangegeven dat het kunstenveld een mannenbastion is. Voor de museumwereld geldt dat ook, vooral in Europa. In Amerika en Engeland lijken er toch meer vrouwelijke directeurs rond te lopen.

In België zie je nu wel meer en meer vrouwelijke museumdirecteurs. Dat is niet moeilijk, want er waren er voordien gewoonweg geen. Ik kan bijna niet geloven dat ik hier in het MSK de eerste vrouwelijke directeur ben. Het museum is gesticht op het einde van de 18e eeuw en vond onderdak in het huidige gebouw in 1903. Er zijn al die tijd enkel mannen als directeurs aangesteld.

 

Zijn er nog vrouwelijke museumdirecteurs in Gent? 

In Gent zit het wel goed nu: het STAM, het Huis van Alijn, het MIAT, het Design Museum hebben allemaal een vrouw aan het hoofd. Er is maar één mannelijke directeur, Philippe Van Cauteren van het SMAK.

 

Komt dat doordat de Stad Gent een bewust beleid voert of is dat eerder toevallig?

Dat weet ik niet. We hebben allemaal examen moeten afleggen. Ik geloof dat die keuze voor vrouwelijke museumdirecteurs gebaseerd is op onze capaciteiten, maar ook dat Gent als socialistische stad open staat voor de problematiek.

 

U denkt dus niet dat er zoiets als quota hebben gespeeld in uw benoeming. Hoe zou u daar tegenover staan? 

Het is belangrijk om quota door te drijven in het begin. Ik heb dat ook een beetje bij mezelf gedaan, toen ik in het begin van m’n carrière grote tentoonstellingen en later biënnales organiseerde. Als bleek dat ik geen gelijk aandeel mannelijke en vrouwelijke kunstenaars had geselecteerd, dan stuurde ik dat wat bij. Bij gebrek aan betere verwoording, stel ik dat er in de kunst werk bestaat dat meer vrouwelijke aspecten vertoont of meer mannelijke, en in mijn selectie heb ik meer aandacht voor het matrixiale dan voor het fallische in kunst; en is er bijgevolg meer werk van vrouwen dan je kan terugvinden bij een mannelijke curator. Maar dit is zeker geen algemene regel.

 

Is het een tendens dat steeds meer tentoonstellingen georganiseerd worden door vrouwelijke curatoren? 

Dat is een feit. Er zijn meer vrouwelijke curatoren, omdat ze nu toegang hebben tot meer mogelijkheden. In mijn studiejaar aan de universiteit waren er meer vrouwen dan mannen, maar het waren toch de mannen die gemakkelijker werk vonden. Maar dat is lang geleden, al bijna veertig jaar. Ondertussen is er toch wel het een en ander veranderd.

Voor mij gaat het cureren over zorg dragen, over koesteren, over verzorgen, en dat is toch wel een zeer vrouwelijke capaciteit. Ik zie een grote link tussen kunst en healing, tussen kunst en zorg, zorg voor de wereld, zorg voor de andere, zorg voor de collectie. En dat is een notie waarvoor de vrouw niet terugdeinst.

Wat ook vrouwelijk is, is intuïtie. Dat werd vroeger gezien als iets irrationeel en wellicht negatief, omdat er in het midden van de twintigste eeuw een tendens was naar objectiviteit. Maar in tegenstelling tot die zogenaamde ‘death of the author’ (‘dood van de auteur’) hadden vrouwen heel dikwijls interesse in biografieën, terwijl vroeger enkel en alleen het kunstwerk centraal stond. Ik ben één van die vrouwen, die een oeuvre ook bekeek vanuit de biografie van de kunstenaar, en ik sprak daar ook over met hen. Zo ontstaat er een diepgaande uitwisseling en wordt een verrijkende relatie opgebouwd. Ik kan maar schrijven over een kunstenaar nadat ik hem of haar een aantal jaren heb gevolgd en gekend.

 

Hoe uit dat vrouwelijke zich concreet in uw museumbeleid? 

Ik leid het museum op een meer horizontale manier. Vroeger waren de structuren hiërarchischer, top down, met aan het hoofd de directeur als held. Ik geef veel verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid aan anderen. Samenwerken, conversatie en communicatie zijn daarbij uiterst belangrijk. We evolueren naar een maatschappij waarin er meer nood zal zijn aan samenwerking.

Vrouwen spelen, volgens mij, een belangrijke rol in het herdefiniëren van dergelijke bestuursmodellen. Maar ik wil niet veralgemenen dat alle vrouwen leiding geven op dezelfde manier als ik dat doe. Ik spreek hier enkel vanuit mijn eigen ervaring.

 

Spelen samenwerkingen ook een belangrijke rol in uw tentoonstellingsprojecten?

De huidige tentoonstelling ‘Ooggetuigen: Francisco Goya & Farideh Lashai’ steunt inderdaad op een samenwerking van het MSK met het Prado Museum in Madrid en het British Museum in London. Voor musea in deze 21e eeuw is dat het enige werkbare model. De 20e eeuw was gericht op individualiteit en separatie, en dat resulteerde soms in kunstenaars die zich tegen elkaar afzetten. De 21e eeuw is daarentegen gericht op het collectieve, het participatieve, en op samenwerking, eigenschappen die ik associeer met het vrouwelijke.

 

Hoe gaat u tewerk bij het maken van een tentoonstelling? Vertrekt u vanuit de biografie van de kunstenaar?

Neen. Ik ben al mijn leven lang gefascineerd door verbanden, associaties en samenkomst van omstandigheden—hoe zaken in de tijd of in de ruimte samen verschijnen en samen vloeien. Daarenboven houd ik van serendipiteit. Dat is wellicht opnieuw een vrouwelijke manier van denken en werken. Ik kende het werk van Goya al, en wij kochten voor het museum recent het album Los Desastres de la Guerra aan. Ondertussen werkte ik al samen met Farideh Lashai, en dan ontdekte ik de connectie tussen het werk van beiden.

Eerst was er de intuïtie dat het interessant kon zijn om het werk van beide kunstenaars naast elkaar tentoon te stellen. Daarna ging ik rationeel op ontdekking, waarom ik beiden ook daadwerkelijk zou willen samenbrengen. Het is immers van beiden het laatste werk. Beiden hebben het niet volledig gerealiseerd gezien tijdens hun leven, Goya omdat de serie etsen verborgen bleef, wellicht uit angst voor de inquisitie, en pas gepubliceerd werd na zijn dood, Lashai omdat ze overleed aan kanker voor het werk voltooid was. Ze hebben een strijd gevoerd, zowel inwendig als uitwendig. Beiden leefden in tijden van revolutie en repressie en hadden verlichte vrienden schrijvers en filosofen, vandaar ook hun grote interesse in literatuur en theater. De gemeenschappelijke elementen in hun biografie bevestigen wat ik intuïtief lees in hun werk.

Als ik met hedendaagse kunstenaars samenwerk, zal ik hen als curator nooit instructies geven of zeggen wat ik precies verwacht. Ik geef ze de volledige vrijheid. Veel collega’s hebben mij gevraagd hoe ik dat aandurf. Er zijn nochtans curators die suggeren aan de kunstenaar wat hij of zij zou moeten maken. Dat lijkt me eng. In bepaalde gevallen wist ik soms de dag voor een opening niet wat er zou komen. Maar ik had vertrouwen en was overtuigd van het resultaat.

 

Het MSK organiseerde al tentoonstellingen over het werk van vrouwlijke kunstenaars in Love Letters in War and Peace / Mona Hatoum, daarna met Julia Margaret Cameron, Simryn Gill, Marthe Donas, en nu Farideh Lashai en Parastou Forouhar. Maken die deel uit van een bewuste tentoonstellingspolitiek om vergeten of onbekende hedendaagse vrouwelijke kunstenaars in de kijker te zetten? 

Ja, ik kies er bewust voor om het werk van vrouwelijke kunstenaars tentoon te stellen zowel in de collectie op zaal als in projecten, hoewel het toeval ook vaak een rol speelt. Zo kende ik het werk van Marthe Donas al dertig jaar. De mogelijkheid om het werk van de enige vrouw in de Belgische avantgarde tentoon te stellen bestond al langer, maar de vorige directeur van het MSK toonde geen interesse, terwijl ik wel enthousiast reageerde. De keuze om een samenwerking met de V&A aan te gaan en het werk van Cameron tentoon te stellen was ook bewust, niet alleen omdat ze een vrouw is, maar omdat ze de eerste was in de 19e eeuw om de relatie met schilderkunst te leggen en bewust fotografie wou verheffen tot een ‘hoge kunst’. Dit werkte heel goed met onze oude collectie.

Volgend jaar organiseren we een tentoonstelling rond Artemisia Gentileschi, waarbij we vooral zullen focussen op het werk dat zij in Rome schilderde, in de periode 1610-1620. Zij had toen ook contact met de caravaggisten uit onze streek. Het MSK bewaart een mooie collectie caravaggisten die het publiek amper opmerkt. We zullen haar werk in juxtapositie plaatsen met onze collectie. Ik kijk graag vanuit onze eigen collectie, maar door een andere lens.

Er zijn altijd meerdere redenen om het werk van een kunstenaar tentoon te stellen. Soms zijn dat filosofische of socio-politieke redenen, soms zijn het heel praktische redenen, zoals een subsidieronde bijvoorbeeld voor een bepaald project. Samen met het MSK team proberen we een balans te behouden tussen vrouwelijke en mannelijke kunstenaars. Het is niet de bedoeling dat onze tentoonstellingspolitiek zuiver georiënteerd is op vrouwen.

 

Vertaalt die ‘feministische’ tentoonstellingspolitiek zich ook achter de schermen van het museum in het collectiebeleid? 

Ik koop inderdaad graag werken van vrouwelijke kunstenaars voor het museum. En ik heb geluk, want de curatoren van het MSK weten dat ik een inhaalmanoeuvre wil uitvoeren. Zij halen de weinige werken van vrouwen die het museum al bezat uit de reserves om ze in de permanente collectie op zaal te hangen. In het forum hangen nu een drietal werken van vrouwen die daarvoor altijd in de reserves waren weggeborgen.

 

Waarom is het belangrijk dat vrouwelijke kunstenaars in de kijker worden gezet? Wat voegen vrouwelijke kunstenaars toe aan de samenleving?

Vroeger lag de nadruk op geweld en breuk als radicale daad, op de grote gebaren in de kunst. In de jaren ’70 hebben de vrouwelijke beeldende kunstenaars een eigen taal ontwikkeld, een taal die steunde op het participatieve, het verzorgende en het communicatieve. Dat zie je op hetzelfde moment ook gebeuren in de literatuur, met de écriture féminine van Luce Irigaray en de sémiotique van Julia Kristeva

Vrouwelijke kunstenaars zijn misschien minder gericht op zichzelf. In het begin waren ze dat nog wel, want toen interesseerden veel van hen zich voor identiteits- en genderpolitiek. Maar na een tijd zijn ze erin geslaagd om de eigenschappen die zij belangrijk vonden te ontwikkelen.

 

Wat denkt het museumpubliek daarvan?

Er komen meer bezoekers dan vroeger naar het MSK, en dat publiek is jonger en diverser. De pers is bovendien zeer lovend over de huidige tentoonstelling.

 

Interview door Karla Vanraepenbusch & Gerlinda Swillen, gepubliceerd in Aktief, het ledenblad van het Masereelfonds.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *